

4.1 Uit: Vorige levens (R. Moody), p. 77 (is nu vrouw), reincarnatie, hypnose:
|
"Ik was een man. Een zeeman die uitkeek over de turkooisblauwe zee terwijl het schip de haven binnenvoer. Ik wist dat ik geen belangstelling had voor de vracht die we moesten vervoeren, maar dat ik alleen in de zee geinteresseerd was. Als alle anderen blij waren dat er land in zicht kwam, keek ik al uit naar de volgende reis, die me nieuwe avonturen zou brengen. Toen ik aan land ging, kon ik mezelf van buitenaf zien. Ik was klein en gespierd, met dik krullend haar, en ik keek bijzonder ernstig. Ik liep een heuvel op en ging een arbeidersbuurt in. Toen ik de heuvel opliep, kon ik precies registreren wat ik dacht. Ik dacht aan mijn vader en hoe hij altijd op zee zat, net als ik nu. Ik had zeer dierbare herinneringen aan hem en voelde een grote leegte bij de gedachte dat ik hem nooit meer zou zien. Er heerste een levendige drukte op straat. Mensen schreeuwden, verkochten spullen en vertelden elkaar van alles op luide, heftige toon. Ik nam er niet aan deel. Ik liep nors door naar huis. Thuis had ik vrouw en kinderen, maar ik was niet bijzonder blij ze te zien. Ik werd getroffen door de onpersoonlijke houding die ik tegen mijn kinderen aannam. Ik groette hen, maar ik kuste of knuffelde hen geen van allen. Ook had ik voor niemand cadeautjes meegenomen, hoewel ik verscheidene weken op zee was geweest en vele havens had aangedaan. Het was duidelijk dat ik mijn hart verpand had aan de zee. Voor mij betekende 'thuis' alleen de plaats waar ik verbleef wanneer het schip de thuishaven aandeed. Ik ging er naar bed met mijn vrouw en had er wat gezelschap, maar voor het grootste deel beleefde ik geen genoegen aan mijn vrouw of mijn kinderen. Ik kwam pas tot leven als ik met mijn maten aan boord was. Daar was ik een vrolijk, levendig iemand. Thuis was ik niemand. Ik beschouwde mijn onpersoonlijke houding als een verweer tegen al te grote gehechtheid. Net als mijn vader vroeger wilde ik over de wereld zwerven. In de volgende scene zag ik mezelf onmiddellijk terug in het ruim van mijn schip. Hoewel het maar een vrachtschip was, was het prachtig ingericht. Ook waren de schotten geheel bedekt met houtsnijwerk en schilderingen en was het schip bijzonder schoon en goed onderhouden. Het was duidelijk dat de bemanningsleden van hun schip hielden. Ik maakte tijdens deze regressie geen reizen. Ik had alleen maar een herinnering aan die zeetochten en die bezorgde me het meest vrije gevoel dat je je kunt voorstellen. Ik kon me echter niet herinneren in andere landen te zijn geweest. Ten slotte zag ik mezelf op het einde van mijn leven. Ik zat in een stoel en vertelde verhalen over mijn leven op zee. Ik was op een of andere wijze gewond geraakt, want mijn benen waren zo goed als verlamd en ik kon niet veel meer dan zitten. Ik weet niet wat er gebeurd was, maar ik denk dat ik in een van de ruimen van het schip was gevallen of dat er een deel van de lading op me terecht was gekomen. Wat ik alleen weet, is dat de rest van mijn leven bestond uit het vertellen van zeeverhalen." |
4.2 Uit: Vorige levens (R. Moody), p. 85, reincarnatie, hypnose:
|
"Ik zag een prachtige, ranke boot in het water. Hij was van hout gemaakt, lang en ruim, met spitse uiteinden. Er zat een man in met een prachtige hoofdtooi op en gekleed in een lange, witte jurk. Deze man was een soort priester en als ik naar hem keek, kon ik uit mijn gevoelens opmaken dat ik dat was. Vier roeiers waren bij me in de boot. We voeren over een zeer rustig water, een lagune. Om me heen zag ik honderden mensen die op de oever naar ons stonden te kijken, terwijl wij door het water laveerden. Ik haalde mijn handen uit mijn kleed en wierp een handvol bladeren en spaanders op het water. Deze handeling moet de een of andere religieuze betekenis hebben gehad, want de mensen raakten er opgewonden van. In het achterste deel van de boot lag een man in een opgerolde, afwerende houding en hij keek angstig alsof iemand hem een pak slaag ging geven. Zijn handen en voeten waren zo strak aan elkaar gebonden dat ze bleek zagen. Ik had geen medelijden met hem, want naar mijn idee was dit volgens de regels, in overeenstemming met de wijze waarop deze godsdienstige ceremonie diende plaats te vinden. Ik liep naar het achterste deel van de boot, greep de man bij zijn schouders en wierp hem in het water. De menigte aan de oever raakte buiten zinnen. De man spartelde even rond en toen werd het water rondom hem troebel door de vele kleine visjes die hem aan het opeten waren. De mensen op de oevers waren bijna waanzinnig. Maar ik voelde niets. Het was alsof ik verdoofd was. Vervolgens kreeg ik een flashback te zien van mijn jeugd. Ik was een kleine jongen en ik woonde in het oerwoud, in een huis dat op palen was gebouwd. Mijn vader was priester. Ik begreep niet goed wat mijn vaders beroep inhield. Ik wist niet wat hij daar dag in dag uit deed, waarom hij uren stilzat en naar een afgodsbeeld staarde. Ik ging naar de volgende scene uit mijn kindertijd. Ik bevond me in een rokerige kamer met een paar jongens van mijn leeftijd. We zaten tegenover een stel oudere mannen, die met scherpe stenen patronen in onze gezichten sneden. Dit moest veel pijn doen, maar ik was helemaal verdoofd. Hierna kregen we bitter vocht te drinken en we voelden ons allemaal heel vrolijk. Toen kregen we te horen dat we mannen waren geworden. Vervolgens zag ik hoe ik hard door een bos rende, achter een hert aan. Ik had een stok met een pijl erop in mijn handen. Uiteindelijk haalde ik het hert in en kon ik de stok gooien en het dier raken. Het hert viel en ik bukte me om zijn keel door te snijden. Dit maakte dat ik me eerbiedig, gelukkig en zeer mannelijk voelde. Ik ging verder en zag mezelf in een huis dat uit houtblokken was opgetrokken. Ik was daar met mijn vader, die me de principes van onze godsdienst uitlegde. Ik hield van hem en ik respecteerde hem, maar ik was verward door al dat gepraat over religie. Mijn vader legde me uit dat ik hogepriester van de stam zou worden, een functie waar ik me niet bijzonder geschikt voor voelde. Met deze scene eindigde de flashback. Ik keerde terug naar de boot, en keek toe hoe die man werd opgegeten door de visjes. De menigte aan de oevers was nog steeds wild enthousiast over wat ze zagen gebeuren. Ik staarde naar de man en wierp stukjes blad en schors in het water. Het was duidelijk dat deze handeling een heilige betekenis had voor de mensen langs het water, maar niet voor mij. Ik voerde de rituelen uit, maar ze deden me niets. Toen kwam de laatste dag van mijn leven. Ik kwam vanuit het bos het dorp binnen en zag hoe een troep wilden met veren hoofdtooien op het dorp verwoestten. Ik zag hoe ze onze woningen omverhaalden en hoe ze mensen sloegen. Mijn adem stokte toen ik zag hoe een stel mannen mijn vrouw uit onze hut trokken en haar begonnen af te ranselen. Op dat moment voelde ik niets meer. In de laatste scene kwam er een man voor me staan. Hij was gewapend met een pijl en boog. Hij hief zijn boog en schoot de pijl af. 'Nu is het gebeurd,' zei ik tegen mezelf. Ik zag hoe de pijl, als in slow motion, op me af kwam vliegen en in mijn borst bleef steken. Ik zag hoe hij zich in mijn vlees boorde, het openscheurde. Daarmee eindigde mijn leven." |
4.3 Uit: Vorige levens (R. Moody), p. 116 (is nu man), reincarnatie, hypnose:
|
"Ik was duidelijk een vrouw in deze regressie. In het eerste beeld dat ik te zien kreeg, werd ik, gewikkeld in een dekentje, door mijn moeder een steile berg afgedragen. In de verte zag ik de groene berghellingen en de kale, grijze toppen die daarbovenuit staken. We liepen langs een helling naar beneden en staken een snel stromende beek over. We waren op weg naar onze woning, een groot, uit natuursteen opgetrokken huis met een plat dak en stevige houten balken. Mijn moeder liep wat onzeker, met mij op haar arm, maar ik was niet bang. Ik had het idee dat ze al heel vaak over dit pad had gelopen en ik voelde me veilig in haar armen. Desondanks huilde ik op weg naar huis, want zij had grote rode vlekken in haar gezicht, die er akelig uitzagen en die mij angstig maakten. Ze droeg een heel donkere jurk en had gekleurde kralen in het haar. Hoewel ik huilde, was ze gelukkig en zong ze een vrolijk liedje. In een andere scene rende ik heel snel de berg af. Mijn grootvader kwam eraan. Ik kon hem de weg op zien komen en ging hem haastig tegemoet. Hij bracht altijd snoep voor me mee in de zakken van zijn jas. Dit snoep leek gemaakt van honing, suiker en noten, die tot een bal waren gekneed. Toen hij me deze zoetigheid gaf, propte ik het meteen in mijn mond en probeerde het in een keer weg te werken. Hij lachte naar me terwijl ik worstelde met een mondvol kleverig snoepgoed. Ik keek langs mijn grootvader naar beneden en zag mijn vader in het dal aan het werk. Het leek wel of hij altijd aan het werk was, maar dat was ook te zien. Het gebied beneden ons wemelde van groene veldjes die hij in cultuur had gebracht. Daarna zag ik mezelf op twaalfjarige leeftijd. Ik zat naast een weefgetouw en mijn moeder leerde me weven. Dat was een vluchtig beeld. Vervolgens stond ik als veertienjarige bij de weg te kijken naar vreemdelingen die van heel ver kwamen. Deze gebeurtenis wond me bijzonder op, want voor het eerst besefte ik dat er meer bestond dan ons dal. Deze vreemdelingen hadden een heel donkere huid. Een van hen zocht in een zak en bood me een kam aan voor mijn haar. Toen haalden ze een machine uit hun bagage en wonden die op. Het was een oude grammofoon die het geluid voortbracht van een zingende man. Toen ik dat hoorde, liet ik me op de grond vallen en lachte zonder ophouden. Ik lachte maar door en zei hun dat die muziek tovenarij was. Vervolgens zag ik mezelf als getrouwde vrouw. Het was mijn huwelijksdag en ik voelde me gelukkig toen ik met mijn echtgenoot verenigd werd. We vierden onze bruiloft in de tuin van mijn ouders, in dat prachtige dal en we dansten met elkaar. Ik begreep dat we een boerenbestaan zouden leiden en heel vaag wist ik dat ik spoedig kinderen zou krijgen. Toen kwam de dag waarop ik stierf. Over mijn hele lichaam had ik gezwellen, vooral onder mijn armen en op mijn buik. Ik had het warm en ik zweette. Ik zag dat mijn man huilde en voelde dat alle kinderen om me heen stonden. Het laatste wat ik me herinnerde, was dat ik mijn man probeerde te troosten. Hij was diep bedroefd omdat hij zonder mij verder moest leven." |
4.4 Uit: Terug naar vorige levens (T. Dethlefsen), p. 15, reincarnatie, hypnose:
| "... ik ben ook heel erg slordig, zeggen ze - en ik heb altijd zwarte kousen aan - daar heb ik ook een hekel aan - maar dan ga ik naar mijn tante die naast ons woont - die is ook vreselijk slordig - zeggen ze - maar die geeft mij pianoles en dan is ze boos wanneer ik het stof van de piano veeg - ik schrijf altijd met de vinger op het deksel - mijn tante is een oude jonge-juffrouw en eigenlijk mag ik niet zo vaak naar haar toe - mijn broertje is eens in een mand met vuil wasgoed gevallen en toen was zij zo boos - mijn tante is onderwijzeres - omdat ze geen man kon krijgen - zeggen ze - mijn tante geeft prive-lessen - de kinderen leren Frans. ... mijn vader is er - er is een man - dat is mijn vader - hij is kwaad geworden omdat mijn moeder iemand aan de huisdeur suiker heeft gegeven en die heeft gezegd dat ze iets brengt - nee, dat weet ik niet - of ze heeft beloofd suiker te brengen wanneer mijn moeder haar iets geeft en ze is niet teruggekomen en ik sta aan het raam en mijn moeder gaat met mijn vader naar het station. Zij heeft een heel lange japon aan - mijn vader heeft een helm op met zo'n piek erop en nu gaan zij de hoek om - ja." |
4.5 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 29, reincarnatie, hypnose:
| "... es ist nur, dass mir klar geworden ist, dass die Geburt kein Anlass zur Freude ist. Die beiden Tode, die ich heute nacht in den beiden vergangenen Leben durchmachte, waren angenehme Erfahrungen. Geboren zu werden, das scheint die Tragodie zu sein." |
4.6 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 36 reincarnatie, hypnose:
| "Es schien, als hatte ich das Bewusstsein fur die Gefuhle anderer Menschen und auch das Wissen verloren, das ich hatte, bevor ich geboren wurde." |
4.7 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 36, reincarnatie, hypnose:
| "... dass es sich nicht darum handelte, superreligios zu sein oder so etwas, sondern einfach einen Sinn fur das Gluck in jenen Menschen zu wecken, mit denen ich leben wurde." |
4.8 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 37, reincarnatie, hypnose:
| "Aber in der Hypnose schien es mir klar zu sein, dass es darauf ankommt, dass ich mich anderen Menschen widme und nicht mir selbst." |
4.9 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 45, reincarnatie, hypnose:
| "Ich entschied mich dafur, geboren zu werden, und ich fuhlte, dass man mir bei der Entscheidung half, weil ich die Arbeit meines letzten Lebens fortsetzen und korrigieren musste. Ich war darauf gespannt, dieses Leben zu erfahren." |
4.10 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 51, reincarnatie, hypnose:
| "Ich war davon uberzeugt, mit anderen zusammen, die ich kannte, geboren zu werden, um die liegengebliebenen Fade meines unmittelbar zuruckliegenden Lebens wieder aufzunehmen." |
4.11 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 105, reincarnatie, hypnose:
| "Als Sie nach der Verbindung mit dem Fotus fragten, fuhlte ich, dass ich in ihm und auch ausserhalb war. Ich verband mich mit ihm mit drei Monaten, aber ich war nicht die ganze Zeit in ihm. Ich war hauptsachlich daran interessiert zu wissen, wer meine Mutter und mein Vater sein wurden. Als Sie nach den Gefuhlen meiner Mutter fragten, fuhlte ich, dass sie nervos war, aber nicht ubermassig. Ich wusste, dass sie wollte, ich solle etwas Besonderes sein, und dass alles fur mich in Ordnung sein sollte. Sonderbarerweise gewahrte ich, dass sie wutend auf den Doktor war, weil er zu spat kam." |
4.12 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 109, reincarnatie, hypnose:
| "Als Sie nach dem Fotus fragten, sah ich ihn und hutete ihn und wachte uber ihn. Ich war auch ein paar Mal in ihm, aber nicht die meiste Zeit. Ich kam eher nach der Geburt in ihn als vorher. Als Sie nach den Empfindungen meiner Mutter fragten, bemerkte ich sie ganz deutlich. Sie war ein wenig traurig und aufgebracht, weil Papa ihr nicht genug Aufmerksamkeit widmete, und sie war gleichzeitig auch tief glucklich." |
4.13 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 127, reincarnatie, hypnose:
| "Ich bemerkte die gefuhle der anderen Menschen im Entbindungsraum. Es waren ein Arzt da und zwei Schwestern. Der Arzt hatte so ein wenig das Gefuhl das Wunder der Geburt, aber die Schwestern taten lediglich einen Job und waren froh, dass es vorbei war. Meine Mutter war erleichtert, betaubt, mude." |
4.14 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 141, reincarnatie, hypnose:
| "Nach der Geburt erinnere ich mich, gedacht zu haben, die Leute seien dumm, weil sie nicht zu wissen schienen, was Babys wollen. Der Arzt schaffte es nicht, rechtzeitig zu kommen, und war deshalb aufgebracht. Der Assistentarzt war glucklich. Die Schwestern machten ihre Arbeit gern und meinten, ich sei schon." |
4.15 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 171, reincarnatie, hypnose:
| "Ich war so uberrascht, herauszufinden, dass ich uberhaupt nicht viel in dem Fotus war. Der sonderbarste Teil der Erfahrung bestand fur mich in dem Gefuhl, dass ich irgendwie an der Schaffung des Fotus beteiligt war." |
volgende pagina
1 uittredingen 2 contact met overledenen 3 levensoverzicht
4 reincarnatiehypnose 5 reincarnatiehypnose en BDE
6 doel levens 7 uitkiezen familie 8 morele lading