

5.1 Uit: Terug naar vorige levens (T. Dethlefsen), p. 40 (Anna Schwenzer te Neuenbrook in 1832 - bewezen, 16 jaar, zwanger van dokter), reincarnatie, hypnose:
| "('Kun je dat voor me spellen?') Hm, natuurlijk kan ik dat - mijn vader zou anders erg boos worden - mijn vader is onderwijzer. ... Ik heb erover nagedacht - de hele nacht - ik ben moe - ik wil niet meer - ik heb het koud - ik wil niet meer - geen mens helpt me - ... Er is geen - er is geen andere keus - je moet het - het is koud - ik doe de ogen dicht - dadelijk, dadelijk is het stil. ... Ze hebben me gevonden. ... Ze vragen mijn vader of ik een rode jurk aan had. Mijn vader huilt - hm, ik kan hem niet zien huilen. Wat moet ik toch doen? ... Mijn moeder huilt helemaal niet - ze is alleen boos - ... mijn moeder, die zegt steeds: 'Wat een schande, wat een schande.' ..." |
5.2 Uit: Terug naar vorige levens (T. Dethlefsen), p. 151, reincarnatie, hypnose:
| "Ah, ik ben dood - ah. ... Ze hebben me laten verhongeren - nou komen ze de trap op - en geeft me een schop - niet mij, maar - maar mijn lichaam dat daar ligt - hij schopt in de zij en zegt dat ik moet opstaan en meekomen, maar dat gaat helemaal niet - ik ben immers dood - dan zegt er een: 'ik geloof dat ze verrekt is' of iets dergelijks ..." |
5.3 Uit: Tussen twee levens (J. Whitton), p. 35, reincarnatie, hypnose:
| "Nadat ik gemarteld was, gedood en ook verminkt door drie andere Indianen dreef ik weg uit mijn lichaam; ik voelde me heel erg kwaad. Ik bedacht dat ik, als ik beter getraind zou zijn geweest en in een betere fysieke conditie zou hebben verkeerd, in staat geweest zou zijn mijn leven te redden." |
5.4 Uit: Tussen twee levens (J. Whitton), p. 44, reincarnatie, hypnose:
| "Het is net of je midden in een film over je eigen leven zit. Elk moment van elk jaar van je leven wordt tot in het kleinste gevoelsmoment teruggespeeld. Een werkelijk absoluut geheugen. En dit alles speelt zich in een ogenblik af." |
5.5 Uit: Tussen twee levens (J. Whitton), p. 27 (de fase voor een volgende geboorte), reincarnatie, hypnose:
| "... 'Ik ben in de lucht... Ik kan een boerderij zien en een schuur... het is vroeg... in de morgen. De zon... staat laag en maakt... en maakt... maakt hele lange schaduwen over de verbrande velden... stoppelvelden... Ik wacht... wacht om... geboren te worden. Ik kijk... ik kijk naar wat mijn moeder doet... Ze is... ze is bij de pomp en ze heeft het moeilijk... moeilijk om de emmer te vullen... Omdat mijn lichaam te zwaar voor haar is... ik wil... ik wil haar zeggen dat ze op moet passen. Voor mij en voor haar...' ('Wat is je naam?') 'Ik... heb... geen... naam.' ..." |
5.6 Uit: Tussen twee levens (J. Whitton), p. 54, reincarnatie, hypnose:
| "Ik was in de verloskamer, en ik keek naar mijn moeder en de dokters die om haar heen stonden. Er was een wit licht om alles wat daar gebeurde en ik was een met dit witte licht. Toen hoorde ik de dokter zeggen: 'Het komt eraan!' en ik wist dat ik me met dit nieuwe lichaam moest verbinden. Ik voelde weerzin om dit leven binnen te gaan. Het was zo prachtig om een te zijn met het licht." |
5.7 Uit: Vorige levens (R. Moody), p. 107, reincarnatie, hypnose:
|
"Het was duidelijk dat ik me in Europa bevond, zo'n twee- of driehonderd jaar geleden, maar waar of wanneer weet ik niet precies. Ik denk dat mijn leven zich in Engeland afspeelde. Ik was een kleine jongen. Ik liep 's avonds door de straten en herinner me hoe ik versteld stond van het feit dat er in zoveel gezinnen alcohol werd gedronken. Terwijl ik over straat liep en bij de mensen naar binnen keek, leek het wel of er in elke huiskamer iemand zat te drinken. Ik herinner me dat ik me erg ongerust maakte. Mijn vader en moeder waren ongeveer dertig jaar oud en toen ik bij onze bovenwoning aankwam, zag ik hoe smerig het er was. We woonden in een kleine flat met grauwe muren. Mijn moeder was bezeten van religie en aan alle muren hingen platen van Jezus en de Maagd Maria. Mijn ouders waren voortdurend dronken. Verschrikkelijk wanhopig voelde ik me toen ik naar binnen ging. Ik keek naar buiten, maar ook de straten boden niets dan treurigheid. Overal lagen dronken mensen. Sanitaire voorzieningen waren er niet en men gebruikte de goten als openbaar toilet. Het was een bende in de stad. Wat indruk op me maakte in dit leven was het feit dat mensen zoveel moeite hadden om met elkaar in contact te komen. Zonder telefoonverbinding leek dat ongelooflijk moeilijk. Verscheidene malen zag ik hoe anderen erop uitgestuurd werden om iemand te halen of om een schriftelijke boodschap af te geven. Deze koeries deden het werk van een telefoon! Toen ik zag hoe iemand door een paard en wagen werd overreden besefte ik hoe groot de communicatieproblemen waren. Een hele menigte verzamelde zich om de man heen en iemand werd erop uitgestuurd om een dokter te halen. Het leek eindeloos te duren voor die dokter arriveerde. Het was erg lawaaierig in de stad. Ook werden veel inwoners geplaagd door de meest afschuwelijke ziekten, waar ze maar mee rond bleven lopen. In de volgende scene bevond ik me in een kerk. Ik was ongeveer twaalf jaar oud. Ik voelde me verschrikkelijk eenzaam en had het idee dat mijn ouders waren overleden. Ik was de stad uit gegaan en vroeg de dominee van deze kerk of hij mij op de een of andere manier kon helpen. De dominee was mager en zag er ziekelijk bleek uit. Hij gaf me geen echte steun, maar citeerde slechts een aantal gemeenplaatsen uit de bijbel. Op dat moment had ik het gevoel dat gezagsdragers niets meer van het leven wisten dan ikzelf. Vervolgens ging ik een paar jaar verder in mijn leven. Ik werkte als leerling-schoenmaker in een stadje. De winkel lag een paar treden onder het niveau van de straat en het was er erg donker. Overal rook ik de geur van leer. De schoenmaker voor wie ik werkte, was een gelukkig mens. Hij had een zoon van twaalf, die het vak ook leerde en een dochter, die zo af en toe op bezoek kwam. Zijn vrouw was aardig en ze kookte graag voor ons. Mijn leven ging weer verder. Ik was getrouwd met een vrouw die ik op een carnavalsfeest had ontmoet. We verhuisden naar een andere stad en begonnen onze eigen schoenwinkel. Het was er aangenaam wonen en ik raakte er in aanzien. Opnieuw ging mijn leven verder en ik zag hoe ik gefolterd werd door de pijn. Ik zag mezelf op een afstand. Ik weet niet waarom ik zoveel pijn had, maar wel zag ik dat mijn vrouw ongerust was en dat ze niet wist wat te doen. Ze bracht me naar een dokter, maar die kon ons ook niet vertellen waar de pijn vandaan kwam. Ik vond deze dokter lijken op de dominee die ik als kind had ontmoet. Hij deed gewichtig, maar wist in feite niet waarover hij het had. Een paar dagen later drukte ik mijn handen tegen mijn buik en vertrok mijn gezicht van de pijn. Zweetdruppels parelden duidelijk zichtbaar op mijn hoofd. Kennelijk had ik meer pijn dan ik kon verdragen. Toen adviseerde de dokter mij om me te laten opereren. Ik wist dat ik geen andere keus had. Met mijn vrouw ging ik per rijtuig naar het ziekenhuis. Ik was doodziek en heel ongerust en de aanblik van het ziekenhuis bracht daar geen verbetering in. Het was een groot, somber gebouw met smeedijzeren hekken ervoor. Uiteindelijk bevond ik me in een operatiekamer, die er naar moderne maatstaven ongelooflijk vies uitzag. Men had, leek het, geen poging gedaan om de ruimte schoon te houden. Ik vond dat niet zo zorgwekkend, want men had destijds een heel ander idee van hygiene dan nu. Wel maakte ik me zorgen over mijn vrouw en wat er met haar zou gebeuren als ik stierf. Toen ik op de operatietafel lag, sloeg ik mijn ogen op en zag ik bloedvlekken op de jas van de dokter. Er was geen anesthesist aanwezig. Ik werd op de tafel vastgebonden en men gebood mij zo stil mogelijk te blijven liggen. Toen begon de dokter me open te maken bij mijn maag. Ik voelde hoe er met een bot instrument in me gesneden werd. Ik had een verschrikkelijke pijn, maar daarna voelde ik helemaal niets meer. Ik verliet mijn lichaam en ging naar mijn vrouw toe, die ook in de kamer was. Ik kon niet met haar praten. Ik kon met niemand praten. Ten slotte voelde ik hoe ik wegdwaalde, een wit licht tegemoet." |
5.8 Uit: Vorige levens (R. Moody), p. 113, reincarnatie, hypnose:
|
"Ik liep hoog in de bergen over een alpenweide. Ik was heel jong, ongeveer tussen de drie en vijf jaar oud. Ik liep zachtjes, alsof ik ergens onopgemerkt wilde komen. Er waren nog meer mensen om me heen en ik verbaasde me over hun uiterlijk. Ze hadden grotere, bollere hoofden dan de mensen tegenwoordig hebben. En hoewel deze prehistorische mensen in een kouder klimaat leefden dan wij, hadden ze toch veel minder haar dan ik had verwacht. Ik besefte dat ik in een heel vroege periode was beland, ergens in het begin van de mensheid. We liepen naar een hol van waaruit je een rivier kon zien. Het landschap voor ons was over een grote afstand bezaaid met bloemen. Toen kwam er een beeld waarin ik voor ons hol lag te luisteren naar het getsjirp van de insekten. Ik bekeek het onderkomen wat beter. In de grond had men palen ingegraven en op die palen lag afval, zoals takken en dierehuiden. Mijn leven ging verder en ik zag een enorm, langharig dier. Op dat moment raakte ik volkomen in paniek. Ik wilde wegrennen, weg van dat beest. Ik merkte hoe ik een heuvel afrende en toen maakte het beeld plaats voor iets anders. We stonden om een fruitboom heen. We waren met ongeveer tien personen en als ik die mensen nu moet beschrijven, zou ik zeggen dat je ze nauwelijks mensen kon noemen. We stonden om die boom heen en keken naar de vruchten boven ons hoofd. Ik wilde een vrucht plukken, maar deed het niet. Ik denk dat ik wachtte tot iemand anders het zou doen. In een volgende scene voelde ik hoe ik een heuvel afrolde, terwijl er losgeraakte stukken steen en aarde met me mee vielen. Er leek geen einde aan mijn val te komen; ik rolde maar door. Toen ik onder aan de heuvel was beland en bijkwam uit mijn verdoving, keek ik twee misvormde, bijzonder lelijke schepsels recht in het gezicht. Ze waren erg geschrokken van mijn val en maakten zich zichtbaar zorgen over mijn verwondingen. Ze waren blij toen ze zagen dat ik opstond en me op eigen kracht voortbewoog. 's Nachts waren we allemaal erg bang. Een keer liep onze leider steeds naar de opening van het hol om gespannen naar buiten te turen. Wij kropen dicht tegen elkaar aan, bang als we waren voor wat daarbuiten op ons lag te wachten. Ik bedacht dat er vroeger eens een lid van de groep 's nachts de duisternis in was gegaan en dat hij daarna nooit meer was teruggekomen. Sindsdien waren we er allemaal van overtuigd dat de duisternis mensen opat. De laatste dag van mijn leven liep ik doodziek rond. Ik had hoge koorts en ik kon de groep, die op zoek was naar voedsel, niet bijhouden. Ten slotte ging ik gewoon ergens liggen. Mijn stamgenoten haalden me op en droegen me terug naar ons hol. Ze gaven me te eten en maakten het me zoveel mogelijk naar de zin, maar het hielp allemaal miets. In de loop van een paar dagen verzwakte ik steeds meer. De koorts nam toe en ook mijn angst, want ik begreep niet wat er met me aan de hand was. Ten slotte slaakte ik nog een diepe zucht en stierf toen. Het laatste wat ik van dit leven zag, was hoe mijn stamgenoten stokken en bladeren op mijn lichaam stapelden." |
5.9 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 45, reincarnatie, hypnose:
| "... aber ich weiss, dass ich gehen muss. Als ich mich entschloss, waren andere in meiner Nahe. Es waren meine Schwester und irgendeine andere Person, mein Bruder aus einem anderen Leben und mein Freund in diesem Leben." |
5.10 Uit: Voorbije levens (G. Williston), p. 19, reincarnatie, hypnose:
|
"Ik schoot het gerechtsgebouw uit en rende zo hard als ik kon. Mijn longen deden pijn, mijn benen waren verdoofd. Mijn gedachten gingen in kringetjes. Ik wist niet waar ik heen ging, maar ik wist dat ik weg moest komen. 'Maar ze komen achter me aan ... het is een massa ... een paar vrouwen, maar meest mannen ... Ze rapen stenen op en gooien ze naar me. Ze gooien stenen naar me, allemaal. Ik kan niet verder rennen. Ik ben aan de rand van het meer. Ik kan niet weg komen en ze komen dichter bij. Ik kan niet weg komen ... stenen in alle maten. Ze raken me ermee ... Een grote steen raakt me tegen mijn hoofd. De pijn is verschrikkelijk. Ik val neer en sterf onmiddellijk. Ik heb opgegeven om te proberen weg te komen. Ik had geen keus. Nu ben ik vrij, vrij, vrij. Ik kan mijn lichaam zien. Ik kijk neer op mijn lichaam. De massa staat erbij. Een man draait me om met zijn voet en mompelt iets tegen de anderen. Ze gaan het wegbrengen. Ik wil niet meer bij mijn lichaam blijven. Ik ben vrij. En licht ... Ik vind het lichte, vredige gevoel heerlijk ... geen angst en pijn meer. Ik ben vrij.'" |
5.11 Uit: Voorbije levens (G. Williston), p. 185, reincarnatie, hypnose:
| "Ik ben in bed. Ik kan maar een beetje ademen. Mijn longen zitten vol vocht. Ik heb hoge koorts ... Ik kan voelen dat ik het leven loslaat. Het is te veel moeite om vol te houden ... en te pijnlijk ... Ik ben gestorven ... Ik hield gewoon op met ademen en verliet mijn lichaam. Ik voelde me opeens heel licht en vrij, geen pijn meer. Ik kon nu ademen ... niet echt ademen natuurlijk, maar ik had het gevoel dat ik kon ademen. Ik was bijna vergeten hoe makkelijk ademen was. De hele kamer leek licht ... een zacht glanzend licht, maar ik weet niet waar het vandaan kwam ... Ik bleef boven mijn lichaam kijken. De hospita kwam de kamer weer in met een kom soep voor me. Ze wist niet dat ik dood was, dat ik zo dicht bij de dood was toen ze wegging om soep voor me te halen ... Ze schrok toen ze dicht bij het bed kwam. Ze zei mijn naam en schreeuwde toen 'Sacre bleu' en liet het blad met soep vallen. Toen rende ze gillend de kamer uit. Ik had medelijden met haar, omdat ik haar zoveel last bezorgde, maar ik lachte ook in mezelf omdat het zo mal was dat ze dacht dat ik dood was ... Ze haalde korte tijd later een dokter, maar zij bleef buiten de kamer en wrong in haar handen terwijl de dokter in mijn lichaam porde. Hij trok het laken over mijn gezicht en zei tegen mevrouw Jamiel dat ze mijn begrafenis moest regelen. Ze huilde toen ze de kamer uitliep. ('Was je je bewust van je begrafenis?') Oh, ja. Ik ben begraven in een armengraf met een naamplaatje van cement. ('Ben je in de buurt gebleven toen je dood was?') Nee, ik moest naar andere plaatsen. Ik had geen belangstelling meer voor die plaats." |
5.12 Uit: Voorbije levens (G. Williston), p. 200, reincarnatie, hypnose:
| "Ik ga steeds onder, ik kan niet blijven drijven. God, het doet pijn. Ik kom uit een land met olijfbomen, een droog land. Ik sterf en ik denk aan mijn huis en mijn vrouw. Mijn vrouw heeft donker haar en een olijfkleurige huid. Ik krijg steeds water ... Ik kijk omlaag en zie mijn lichaam drijven, met het gezicht omlaag. Ik ben dood. Ik ga weg van de plaats van mijn lichaam, ga naar het vasteland, naar mijn huis. Ik weet dat ze gaat huilen. Ik voel me zo vredig. Ik ga omlaag en raak haar wang aan, maar ze kan het niet voelen. Er is zo'n vrede, maar ik wil niet bij haar weggaan omdat ik weet dat ze me nodig zal hebben ... Ik probeer tegen haar te praten, maar ze kan me niet horen." |
volgende pagina
1 uittredingen 2 contact met overledenen 3 levensoverzicht
4 reincarnatiehypnose 5 reincarnatiehypnose en BDE
6 doel levens 7 uitkiezen familie 8 morele lading